Vraag je Valencianen wat je buiten de stad zeker moet bezoeken, dan noemen ze vrijwel altijd als eerste het natuurpark Albufera. Niet alleen vanwege het grote zoetwatermeer en de uitgestrekte rijstvelden, maar vooral vanwege de mooie natuur, de rust en de uitstekende paellarestaurants. Valenciaanse families komen hier graag, vooral op zondag voor familiefeesten en lunches. Bovendien kun je er heerlijk fietsen, wandelen en boottochten maken.
Teksten: Petronella van Mullekom
Foto’s: Petronella van Mullekom, Victoria Sammet
Het had niet veel gescheeld of het hele natuurpark was er niet meer geweest. In de jaren zestig wilde de Spaanse minister van Toerisme de hele landstrook tussen de Middellandse Zee en het meer namelijk volbouwen met appartementen, hotels en toeristische attracties. Na massale protesten van de lokale bevolking werd dit project eind jaren zeventig uiteindelijk gestopt door het eerste democratische stadsbestuur van Valencia.
De meer dan twintig appartemententorens die nu nog aan het strand staan, zijn een overblijfsel uit die periode. Ze zijn in de zomermaanden nog steeds in gebruik door Valenciaanse families, maar staan de rest van het jaar vaak leeg. Sinds eind jaren negentig investeert de gemeente Valencia actief in het herstel van de duinen, de vegetatie en de fauna van dit gebied.
Alles draait om het water
Het ‘Parc Natural de l’Albufera de Valencia’ is sinds 1986 een officieel natuurpark van 21.000 hectare, bestaande uit verschillende ecosystemen. Het omvat het bijna 3.000 hectare gelijknamige zoetwatermeer (de grootste zoetwaterlagune van Spanje), zo’n 14.000 hectare rijstvelden en 4.000 hectare Devesa: de strook met duinen en pijnboombossen die het meer scheidt van de Middellandse Zee.
Het gebied behoort pas sinds 1911 tot de gemeente Valencia; daarvoor was het tot 1865 eigendom van de Spaanse staat en tot 1708 zelfs persoonlijk bezit van het Spaanse Koningshuis.
Van vis naar paella
El Palmar, met zo’n achthonderd inwoners, is het kloppende hart van Albufera. Het dorp was een eilandje totdat in 1930 bruggen en een officiële weg werden aangelegd. De lokale vissersgemeenschap werd al in 1250 officieel erkend door koning Jaume I en bestaat nog steeds. Tegenwoordig zijn er nog ongeveer 45 geregistreerde vissers, van wie nog maar een klein aantal dagelijks uitvaart; leven van de visserij is nauwelijks nog rendabel.
Vandaag de dag telt het dorp meer dan dertig paellarestaurants, stuk voor stuk van goede kwaliteit en meestal gerund door families uit het dorp.
De typische boerderijtjes in dit gebied zijn de zogenaamde ‘barracas’: eenvoudige lemen huisjes met een rieten dak, waarvan er nog een klein aantal bewaard is gebleven in en rond El Palmar. De naam heeft waarschijnlijk een Arabische oorsprong en heeft niets te maken met “barakken” in het Nederlands. Na een brand in 1855, waarbij een groot deel van het dorp afbrandde, werd besloten nieuwe huizen voortaan met steen te bouwen.
Recht om te vissen
Het visseizoen – vooral voor paling, zeebaars en ‘llisa’ (mulachtige vis) – loopt van oktober tot april. Men vist niet vanuit de boten zelf maar door fuiken vast te binden aan stokken op vaste plekken in het meer. Deze zijn duidelijk te zien als je een boottocht maakt en worden elk jaar opnieuw door middel van loting verdeeld.
Traditioneel waren de visserijrechten voorbehouden aan de mannelijke nakomelingen van de vissers. In de jaren negentig van de vorige eeuw eisten de dochters van de vissers (na acht eeuwen!) ook het erfrecht van deze visrechten. Niet zozeer om zelf te gaan vissen, maar om het recht door te kunnen geven aan hun kinderen als ze getrouwd waren met een man van buiten het dorp. Hoewel de lokale gemeenschap het voorstel resoluut afwees, werd hen dit recht in 2008 door het Europese Hof alsnog toegekend.
Bootje varen
Een voorbeeld van een ‘nieuweling’ met visserijrechten via de kant van zijn moeder is Rubén. Met zijn traditionele Albuferenc-boten organiseert hij boottochten over het meer, zowel overdag als bij zonsondergang. De naam van zijn bedrijfje is gebaseerd op de bijnaam van zijn grootvader: ‘Tío Pastilla’, via wie hij de rechten heeft geërfd. Opa zelf komt ook nog regelmatig langs om sterke verhalen te vertellen en is zichtbaar trots op zijn kleinzoon.
Vroeger hadden de boten zeilen en gebruikte men een ‘perxa’: een lange stok waarmee je je kon afzetten op de bodem van het meer, dat meestal niet dieper is dan anderhalve meter. Rubén was onlangs de eerste in het dorp die overstapte op elektrische motoren voor zijn boten. Er zijn nog enkele traditionele boten met ‘vela latina’ (Latijnse zeilen), die worden gebruikt voor de jaarlijkse zeilwedstrijden op het meer.
Rijst uit Spanje
Rijst is tegenwoordig het belangrijkste product van de regio en wordt sinds de 19e eeuw op grote schaal verbouwd om de vanaf toen snelgroeiende bevolking van Valencia te kunnen voeden.
De moerassige omgeving en de hoge luchtvochtigheid waren echter ongezond voor bewoners. Daarom was wonen in de rijstgebieden zelfs lange tijd verboden, waardoor het oorspronkelijke landschap verrassend goed bewaard bleef.
Tegenwoordig worden verschillende rijstsoorten geteeld, zoals Bahía, Bomba en Senia, die een beschermde oorsprongsbenaming (‘Denominación de Origen’) hebben en bijzonder geschikt zijn voor paella.
Albufera in literatuur en film
De Valenciaanse schrijver Vicente Blasco Ibáñez geldt als de belangrijkste kroniekschrijver van het leven in dit gebied. In zijn roman ‘Cañas y Barro’ (riet en modder) beschrijft hij het harde bestaan van families in El Palmar aan het begin van de 20e eeuw. In de jaren zeventig werd het verhaal verfilmd als serie en was razend populair op de Spaanse televisie.
In 2019 en 2020 kreeg Albufera opnieuw bekendheid door de succesvolle Spaanse serie ‘El Embarcadero’ (De Pier), die zich voor een groot deel in dit gebied afspeelt. Een leuk detail voor fans van de Spaanse serie ‘La Casa de Papel’: de mannelijke hoofdrolspeler in deze serie is dezelfde Álvaro Morte.
Elk seizoen uniek
In de wintermaanden is Albufera een paradijs voor vogelliefhebbers, grote aantallen trekvogels maken hier een tussenstop op weg van en naar Afrika. Eenden, reigers, zwarte ibissen en flamingo’s behoren het hele jaar door tot de vaste bewoners. Het gebied heeft dan ook niet voor niets de status ZEPA (‘Zona de Especial Protección para Aves’, beschermd vogelgebied) en staat op de internationale Ramsar-lijst van beschermde moerasgebieden.
De beste tijd om Albufera te bezoeken zijn de maanden mei, juni en juli, wanneer de natuur én de rijstvelden op hun mooist zijn. De rijst wordt meestal begin mei geplant en groeit in de zomer uit tot een felgroen tapijt. Eind september of begin oktober wordt geoogst; daarna zijn de velden “leeg”, hoewel bedekt met een laagje water in de wintermaanden. In het vroege voorjaar worden de velden drooggelegd en geploegd om de grond voor te bereiden op de nieuwe teeltcyclus.
Als je wilt genieten van een rustige dag in het dorp en het natuurgebied, kun je de zondagen beter vermijden. Dan stroomt het er namelijk vol met Valenciaanse families en zijn de meeste restaurants volgeboekt. Houd er ook rekening mee dat het landschap sterk verandert met de rijstcyclus: in de late herfst en winter zie je geen rijstplanten, maar juist meer water en daardoor ook meer vogels.
Wandel- en fietsroutes, boottochten en stranden
In en rond het park zijn verschillende wandel- en fietsroutes. Audiogidsen in het Spaans en Engels zijn te downloaden op je telefoon en geven onderweg extra uitleg over natuur, landschap en cultuur.
Voor de sportieve fietsers is er de ‘Vuelta a l’Albufera’: een ronde van ongeveer 78 kilometer vanuit Valencia, langs rijstvelden, moeras, mediterraan bos, havens en vissersdorpen. Deze route is niet officieel bewegwijzerd, loopt grotendeels over landbouwwegen en kan per seizoen variëren.
Boottochten over het Albuferameer duren zo’n 45 minuten. Een van de aanbieders is ‘Embarcadero el Tío Pastilla’ van Rubén in El Palmar
https://eltiopastilla.com
Het bezoekerscentrum ‘Centro de Interpretación Racó de l’Olla y Área de Reserva’ is gratis toegankelijk en biedt informatie, wandelroutes en uitkijkpunten. Reserveren is niet nodig maar op dagen dat er schoolgroepen op bezoek komen, kan de toegang tijdelijk beperkt zijn.
De mooiste stranden van Valencia liggen in dit gebied: kilometerslange zandstranden met beschermde duinen en pijnboombossen, vrijwel zonder infrastructuur. Verwacht hier dus geen boulevard, ligbeddenverhuur of strandtentjes. Een paar aanraders: Arbre del Gos, La Garrofera, La Devesa, en El Saler.
Vervoer en verblijf
Vanaf het centrum van Valencia kun je dit gebied bereiken met stadsbuslijn 24 (eindhalte El Palmar), per fiets of per taxi. Een groot deel van het jaar rijdt bovendien de ‘Albufera Bus Turístic’, die een bustocht vanuit de stad combineert met een boottochtje op het meer.
Omdat dit een beschermd natuurgebied is, zijn er weinig accommodaties in het park zelf. Direct aan het strand van El Saler ligt een moderne Parador, omringd door duinen en een golfbaan. Ook het kleine hotel ‘YOU & Co Saler Beach Boutique’ in het dorp El Saler is een aantrekkelijke optie, net als de campings buiten dit dorp.
Paella eten
In El Palmar kun je kiezen uit zo’n dertig, vaak door families gerunde, paellarestaurants. Enkele aanraders zijn Restaurante Mateu, Casa Ángel en Restaurante Albufera. Een boottocht over het meer gecombineerd met een lunch in El Palmar is de ideale manier om Albufera te ervaren.
Voor informatie en begeleide bezoeken van dit gebied kunt u contact opnemen met: Petronella van Mullekom (petronellavanm@yahoo.es) of whatsapp +34 687 570055. Officiële gids Comunidad Valenciana.
De naam Albufera komt van het Arabische ‘Al Buhaira’ (kleine zee), een verkleinwoord van ‘Al Bahr’ (zee). Van 714 tot 1238 regeerden de Moren over dit gebied, en ook na de christelijke verovering bleef de moslimbevolking nog eeuwenlang aanwezig op het platteland, waar zij met hun irrigatietechnieken de tuinbouw tot grote bloei brachten.
Het meer had vroeger een directe verbinding met de Middellandse Zee. Door natuurlijke processen en zandafzetting ontstond in de loop der eeuwen een duinenrij die de lagune geleidelijk afsloot van de zee. Het water was eerst zout, maar door instromend zoet water uit rivieren en de steeds beperktere verbinding met de zee, veranderde het uiteindelijk in een zoetwatermeer. Romeinse geschiedschrijvers maakten tweeduizend jaar geleden al melding van het meer, destijds tien keer zo groot als nu. Het gebied van de huidige rijstvelden maakte toen namelijk nog deel uit van het meer.
Het meer staat via drie zogenaamde ‘golas’ (kanalen met sluizen) in verbinding met de Middellandse Zee. Deze sluizen zijn het grootste deel van het jaar gesloten, maar kunnen worden geopend om het waterniveau te reguleren, overtollig water af te voeren of wanneer het water in het meer te warm wordt.
Een logische vraag is dan meteen: hoe blijft het water in het meer zoet als er contact is met zeewater? Dat komt door de vele ‘ullals’: natuurlijke ondergrondse zoetwaterbronnen, kenmerkend voor moerasgebieden, die voortdurend zoet water aanvoeren.










