Rokend kapitaal

Hoewel roken in veel Noord-Europese landen vrijwel uit het straatbeeld verdwenen is, zie je in Spanje nog altijd mensen met een sigaret op de hoek van de bar of op het terras. Bars en restaurants moeten rokers door strengere wetgeving naar buiten sturen, maar in de praktijk lukt dat niet overal even goed. Roken voelt hier nog steeds een beetje als cultuur.

Tekst: Susanna Verboon. Foto’s: Stock, Dayou Lu.

De eerste volkeren die tabaksbladeren rookten in Amerika waren de Maya’s. Volgens de afbeeldingen en reliëfs die bewaard zijn gebleven, had roken voor deze beschaving vooral een mystieke betekenis. Het veroorzaakte hallucinaties en een aangenaam gevoel. Deze gewoonte verspreidde zich ook bij andere precolumbiaanse volkeren en werd ingezet voor genezing. Toen de Azteken aan het einde van de twaalfde eeuw Maya-gebieden veroverden, werd roken onderdeel van het dagelijkse leven.

Columbus, Jerez en de ontdekking van tabak
Diezelfde tabaksplant werd in Amerika ontdekt door Spanjaarden en Portugezen en vervolgens overgebracht van de Nieuwe naar de Oude Wereld. Voordat het gebruik zich daar ontwikkelde van medicinaal middel tot feestelijk en sociaal element en – bijna onvermijdelijk – bron van belastinginkomsten, ging er nog heel wat aan vooraf.

Rodrigo de Jerez, afkomstig uit Ayamonte (Huelva), voer met de Santa María (De replica van de Santa María lag afgelopen januari tijdelijk in Málaga als museumschip.) naar wat Christoffel Columbus voor een afgelegen punt in het Oosten hield. In werkelijkheid was het een eiland in het Caribisch gebied. Tijdens die eerste expeditie van Columbus in 1492 stuitte de groep Castilianen op een vreemde gewoonte onder de Caribische indianen: rookrituelen met tabaksbladeren.

Duivelse rook
De officiële introductie van de plant in Europa staat op naam van Fray Román Pané, die met de tweede expeditie van Columbus meereisde. Maar het verhaal van Rodrigo de Jerez is het meest bijgebleven in de volksverbeelding.

Volgens deze enigszins geromantiseerde versie bracht Rodrigo bij zijn terugkeer naar Spanje tabak mee, begon hij het openlijk te roken en kweekte hij het in zijn tuin. Het wantrouwen vanuit kerkelijke kringen tegenover dit product trof, naast eerder al de cacao, ook de tabak. De Heilige Inquisitie besloot de eerste Europeaan die tabak rookte te veroordelen als “zondig en duivels”. Want – zo dachten de inquisiteurs – de rook die uit de mond kwam, kon alleen het werk van de duivel zijn. Rodrigo werd gearresteerd door de Inquisitie wegens ‘vermeende duivelse praktijken’ en werd vijf jaar opgesloten.

In de ban
De vervolging van tabak vond in die periode niet alleen plaats in Spanje, maar ook in China, Rusland, het Ottomaanse Rijk en zelfs in Rome. Paus Urbanus VIII vaardigde in 1642 de bul Cum Ecclesiae uit, waarin werd bepaald dat iedereen die tabak gebruikte – via de mond of neus, in stukken, gemalen, als poeder of gerookt in een pijp – binnen de kerken van het bisdom Sevilla automatisch geëxcommuniceerd werd (latae sententiae).

In 1650 breidde paus Innocentius X dit verbod uit tot de Sint-Pieter in Rome. De belangrijkste zorg was toen esthetisch en niet religieus: men wilde voorkomen dat kerken werden bevuild en dat priesters tijdens de mis snuiftabak gebruikten. Pas in 1725 schafte Benedictus XIII de straf van excommunicatie voor roken in de Sint-Pieter af, nadat bleek dat gelovigen steeds de kerk in en uit liepen om te roken of snuif te gebruiken, wat de concentratie niet ten goede kwam.

Geneesmiddel
Zowel chocolade als tabak wisten uiteindelijk de kerkelijke tegenstand en sociale vooroordelen te overwinnen. In de 16e eeuw verspreidde het roken zich door Europa onder alle sociale klassen. De aristocratie rookte pijp of gebruikte snuif, terwijl de lagere klassen gerolde bladeren rookten. Na verloop van tijd begonnen artsen en andere specialisten tabak te beschouwen als een remedie tegen allerlei ziekten. Het werd aanbevolen tegen bronchitis, astma en zelfs om “de geest te verlichten en zorgen te verdrijven”. In de zeventiende eeuw, tijdens de pestepidemieën in Engeland, werden veel kinderen zelfs verplicht dagelijks pijp te roken om hun gezondheid te beschermen.

Het succes van dit “geneesmiddel” bracht de Zweedse botanicus Linnaeus ertoe de plant in zijn werk Species Plantarum de naam Nicotiana tabacum te geven. Over de herkomst van het woord “tabak” was veel speculatie: het zou afkomstig zijn van het eiland Tobago, al is het waarschijnlijker dat het uit het Arabische tabbaq komt, een algemene naam voor geneeskrachtige planten in Europa uit de vijftiende eeuw.

Van duivelse rook tot fiscaal goud
Samen met zilver en slaven was tabak een van de belangrijke handelswaren van het Iberische rijk. Door de groeiende vraag werd begin zeventiende eeuw de Koninklijke Tabaksfabriek van Sevilla opgericht. Hier werd vooral tabakspoeder en later sigaren van hele bladeren geproduceerd. Vanwege de explosief groeiende handel stelde Spanje in 1636 een fiscaal monopolie in: de estanco. Via dit systeem controleerde de staat alle fasen van de productie- en distributieketen: van de teelt tot de uiteindelijke distributie op het schiereiland via provinciale estancos en de definitieve verwerking in Sevilla. Dit leidde dan ook tot grootschalige smokkel. In 1719 was die zo ernstig dat ze werd bestraft met tien jaar dwangarbeid in Afrika en een boete van tweeduizend dukaten voor edelen, of tien jaar op de galeien en tweehonderd zweepslagen voor niet-edelen.

Sigaretten voor het plebs
In de achttiende eeuw verloor het pijproken, tot dan toe de populairste consumptievorm, aan interesse doordat het werd geassocieerd met de lagere klassen. Snuiftabak daarentegen werd een symbool van elegantie onder de adel en aristocratie. Ook nieuwe, meer verfijnde consumptievormen van tabak verschenen. Zo introduceerden de Spanjaarden het gebruik van kleine rechthoekige velletjes dun papier, de “papelitos”, al huidige sigaret. Aanvankelijk werd de sigaret geassocieerd met de lagere sociale klassen, maar won snel aan populariteit en verspreidde zich over heel Europa, mede door de oorlogen van de 19e eeuw.

Tabak als bevrijding
Het tabaksgebruik nam de hele twintigste eeuw toe onder de Spaanse bevolking. Ondanks wisselende politieke regimes wist niemand de groei van deze industrie en haar stevige positie in de samenleving te stoppen. Er is één duidelijk keerpunt en hoofdrolspeler in de geschiedenis van het roken in Spanje: de Transitie en de opkomst van de vrouw als sigarettenroker. Dit begon in de jaren tachtig, tijdens de Movida Madrileña, toen het aantal rokende vrouwen sterk toenam. Voor velen was roken een daad van rebellie en bevrijding, na zesendertig jaar dictatuur waarin zij waren onderdrukt.

Bloeiende industrie
Tabak is tegenwoordig een stevige industrie in Spanje. De jaarlijkse productiewaarde bedraagt ongeveer 1,2 miljard euro, waarbij Extremadura de sleutelregio is. Daar wordt vrijwel alle tabak van Spanje geteeld. In de regio’s: La Vera, Campo Arañuelo, Plasencia en de vallei van de Alagón is 5.600 hectare bestemd voor tabaksteelt. Dit maakt Extremadura tot de grootste producerende regio van Europa en tot een belangrijk exportknooppunt. Jaarlijks worden in Spanje meer dan 2,2 miljard pakjes sigaretten verkocht. Daarnaast wordt ongeveer tachtig procent geëxporteerd naar andere EU-lidstaten. Daarmee vertegenwoordigt de Spaanse productie circa twintig procent van de totale productie van de Europese Unie.

Productie
In de coöperatie Tabaco de Cáceres S. Coop. in het dorp Talayuela, wordt tussen juli en november ongeveer 1,2 miljoen kilo tabaksblad gedroogd. De tabaksbladeren komen groen binnen bij de coöperatie en worden in batches van zeshonderd kilo in containers geplaatst, waar het droogproces begint om de karakteristieke bruine kleur te krijgen. Dit proces duurt zeven dagen met de juiste combinatie van warmte en ventilatie. De temperatuur – 38 graden bij aanvang en 72 graden aan het einde – wordt opgewekt door een ventilator met een stralingssysteem dat wordt verwarmd met biomassaketels. Deze innovatieve en milieuvriendelijke manier plaatst de tabakssector van Spanje aan de Europese top.

Strenge controles
Na afronding van het droog- en cureerproces waarbij elke container een waarde van zesduizend euro opbrengt, gaan de bladeren naar de eerste verwerkingsfase. Hier komt Cetarsa, het toonaangevende staatsbedrijf, in beeld. Het verwerkt jaarlijks 22 miljoen kilo tabak, met een snelheid van tienduizend kilo per uur.

Alle gedroogde tabak die de Cetarsa-fabriek in Cáceres bereikt, is voorzien van etikettering. Zo kunnen de autoriteiten de traceerbaarheid garanderen en smokkelen voorkomen. Cetarsa detecteert vreemde stoffen en voert kwaliteitscontroles uit.

De fasen die de tabaksbladeren doorlopen zijn: voorselectie, bevochtiging, handmatige selectie, een mechanisch fragmentatie (scheiding van blad en nerf), selectie en verpakking volgens de specificaties van de klant. Tot die klanten behoort onder meer Philip Morris.

Tabaksindustrie in Málaga
Ook dichter bij huis, in Málaga, liet de tabaksindustrie diepe sporen na. Het imposante industriële complex in de wijk Huelin waar nu het automobiel- en modemuseum in Málaga is gehuisvest, was ooit de trotse zetel van de tabaksindustrie in de stad.

De geschiedenis van dit gebouw gaat terug tot de negentiende eeuw, toen verschillende pogingen om een tabaksfabriek in Málaga te vestigen mislukten wegens budgettaire redenen of ongeschikte locaties. Uiteindelijk kreeg de Compañía Arrendataria de Tabacos in 1921 toestemming om fabrieken te bouwen in Tarragona en Málaga en werd de locatie in Málaga gekozen. De bouw startte in 1923 en was vijf jaar later voltooid.

Het noordelijke paviljoen, oorspronkelijk bestemd voor versnijding en opslag, werd in 1977 omgevormd tot sigarettenfabriek, terwijl zijn zuidelijke tegenhanger werd gebruikt voor de productie van sigaren. Decennialang vervulde de Tabaksfabriek functies van fermentatie en productie en werd zij in 1930 uitgeroepen tot het enige fermentatiecentrum van Spanje. De sluiting vond plaats in 2002, waarna het gebouw in gemeentelijke handen overging.

Van duivelse rook naar fiscaal goud en feministisch symbool van vrijheid: tabak blijft een uniek Spaans verhaal van rebellie, handel en cultuur. Vandaag de dag groeien de tabaksplantages in Extremadura nog altijd, terwijl in Málaga een indrukwekkend industrieel complex ons herinnert aan de rokerige gloriedagen.

Droogmethoden voor tabak
Na de oogst worden de tabaksbladeren gedroogd om rotting te voorkomen. Dit gebeurt via drie hoofmethoden: air-cured (luchtgedroogd in schuren, drie a vier weken), flue-cured (kunstmatig verwarmd via rookkanalen, vijf dagen) en fire-cured (met open rookvuren, tien tot vijftien dagen).

Air-cured: Droogt natuurlijk tot bruin hooi. Fermentatie volgt door broeien in bundels: eiwitten en suikers breken af, smaak en geur verbeteren.
Flue-cured: Snelle hitte in ovens houdt tabak geel en zoet – ideaal voor sigaretten. Daarna ‘redrying’ en ‘aging’ voor rijping.
Fire-cured: Rook van vochtig hout geeft rokerige smaak. Korte fermentatie egaliseert vocht; klaar voor verzending in vaten.

Fermentatie: tabak krijgt smaak
Na het drogen begint het échte werk: fermentatie. De gedroogde bladeren – nog wat vochtig – worden gebundeld en gestapeld. Door het restvocht ontstaat broeiwarmte tot 50-60°C. Microben en enzymen breken suikers, eiwitten en nicotine af. Het resultaat? Vale hooi verandert in geurige, soepele tabak met karakter.

Bij air-cured duurt dit weken (regelmatig keren tegen oververhitting). Flue-cured fermenteert deels tijdens het snelle drogen. Fire-cured krijgt na de rookdroging een korte nazorg. Daarna is de tabak klaar voor de verwerking in de fabriek.

Foto van Susanna Verboon
Susanna Verboon

Redacteur gastronomie

Delen:

Facebook
Twitter
LinkedIn

¿qué pasa?

culturele agenda van de provincie Málaga

Meer lezen

Een greep uit onze artikelen

ESpecial Life Magazine

over het goede leven in Spanje

Blijf op de hoogte van nieuwe artikelen over Spanje!
(max. 1 mail per maand)