De auto is ideaal om in korte tijd groten delen van het land te zien. Maar wie de fiets pakt, ontdekt een heel ander Spanje: rustige wegen, kleine dorpen waar de tijd lijkt te hebben stilgestaan, Moorse kastelen boven sinaasappelboomgaarden en barretjes waar de plaatselijke lekkernij nog echt uit eigen oven komt. We hebben het over de omgeving van Sagunto in Valencia: een wereld van kapelletjes met blauwe koepels, eclectische kerken en dorpelingen die je nog nakeken als je met je racefiets langskomt.
Tekst: Bert Kloosterman. Foto’s: Bert Kloosterman, Stock
We pakken de auto om vanuit Málaga zo’n 675 kilometer naar het noorden te rijden. Daar komen we aan in Sagunto, een middelgrote plaats op ongeveer 30 kilometer van Valencia. Wat ons meteen opvalt, is dat het massatoerisme hier nog niet echt heeft toegeslagen. Nieuwbouw wisselt zich af met verwaarloosde panden en de uitstraling van het stadje is nogal sober. Natuurlijk zijn er restanten van een kasteel en midden in het centrum liggen nog een paar middeleeuwse opgravingen die je gewoon kunt bekijken.
Grootouders op een kasteel
We parkeren de auto en stappen op de fiets, want deze keer maken we een rondje om Sagunto heen. De eerste plek die we aandoen is Faura, een klein dorp met zo’n vierduizend inwoners. De belangrijkste bezienswaardigheid hier is de kerk San Juan Bautista uit de 17e eeuw. Daarna trappen we door richting Almenara, in het meest zuidelijke deel van de provincie Castellón. Een van de blikvangers is het Castillo de Almenara, een Moors kasteel met een prachtig uitzicht over de hele omgeving. Het heeft twee torens: L’Agüelet en L’Agüeleta, oftewel Opa en Oma.
Even mensen kijken
Het centrum heeft leuke, romantische straatjes, maar ook hier hebben de “guiris” het dorp inmiddels ontdekt en dat zie je terug in de ontwikkeling. We zijn pas veertien kilometer onderweg en al bij het derde dorp: Chilches, of Xilxes zoals men het hier noemt. Deze plek staat vooral bekend om zijn mooie stranden en is populair bij zowel toeristen als Spanjaarden zelf.
Het historische centrum valt op door de Calle de Iglesia, Plaza de Alfonso XII en Calle Arbelló, met een bijzondere indeling en een autoluw karakter. Hier ploffen we even neer op een terras voor een koffietje en om te genieten van de omgeving – en van iedereen die voorbijloopt. Want eerlijk is eerlijk: er is toch weinig leuker dan mensen kijken.
Tegelmuurtjes
Toch moeten we weer verder, richting La Vall d’Uixó. Deze plaats heeft een aantal interessante bezienswaardigheden. Zo is er de kapel van de Heilige Christus uit de 18e eeuw, in de wijk Carbonaire. De blauwe dakpannen op de koepel vallen direct op, net als de keramische tegels aan de voorgevel, met afbeeldingen van Het Laatste Avondmaal en de Kruisafneming. Ook leuk om te bezoeken, zo is ons verteld, is de ondergrondse rivier, waar je met een bootje door de grotten kunt varen. Omdat we onze fietsen nergens echt veilig konden stallen, slaan we dat dit keer over.
Rustig fietsen in de natuur
We springen weer op het ijzeren ros – in dit geval carbon – en rijden door. De wegen zijn uitstekend en het is ons al opgevallen dat het verkeer hier erg rustig is. De omgeving is op veel plekken meer dan de moeite waard. De volgende stop is Alfondeguilla. Ook hier staat, zoals in zoveel Spaanse dorpen, een oud Arabisch kasteel, of beter gezegd: de resten ervan. Dit dorpje staat vooral bekend om zijn prachtige natuur, midden in natuurpark Serra d’Espadà. Voor wandelaars is het hier echt een paradijs: mooie paden en schitterende uitzichten. Het oude centrum bestaat uit smalle steegjes en traditionele huizen, met in het midden de kerk van San Bartolomé.
Plaatselijke lekkernij
Wat Alfondeguilla extra bijzonder maakt, is het hotel Mar de Fulles. Dit is volgens henzelf het eerste en enige hotel in Europa dat 100% zelfvoorzienend is, en ze werken alleen met lokale producten.
En als we er dan toch zijn, moeten we natuurlijk iets lokaals proberen. We bestellen koffie en nemen Fogassetas, een typisch zoet broodje dat volgens de serveerster dé specialiteit van het dorp is. Als het broodje op tafel komt, komt het ons eigenlijk bekend voor. Een snelle zoekactie op internet leert dat Fogassetas in allerlei varianten voorkomt en dat er meer plaatsen zijn die het als hun specialiteit claimen. Ach, het maakt niet uit: het was lekker, en daar gaat het uiteindelijk om.
Eclectische kerk
Met de suikers weer aangevuld stappen we opnieuw op de fiets, op weg naar de volgende halte: het dorp Azuébar. Ik zal jullie niet opnieuw vermoeien met de mededeling dat er ook hier weer een middeleeuws kasteel staat. Wel echt de moeite waard is de parochiekerk van Azuébar uit de 17e eeuw, de Iglesia de San Mateo Apóstol. De architectuur is bijzonder doordat verschillende stijlen door elkaar zijn gebruikt. Ben je in de buurt, dan is dit echt een aanrader.
Mooi maar toch door
Als we in Soneja aankomen, hebben we er inmiddels 40 kilometer opzitten. We zien uit onze ooghoeken dat dit dorpje een aantrekkelijk oud centrum heeft, maar door tijdgebrek fietsen we door.
Twaalf kilometer verder ligt Torres Torres, een dorp met wortels in de islamitische tijd, vooral bekend om de Arabische baden uit de 14e eeuw, die je nog steeds kunt bezoeken. Ook hier is de omgeving prachtig. Intussen begint de trek zich toch wel te melden, dus tijd voor een ietwat verlate lunch.
Lekkere paella?
In Estivella gaan we op zoek naar restaurant Els Pins. Je zou denken dat hier misschien een Nederlandse ondernemer achter zit, die het naar zichzelf of zijn moeder Els heeft vernoemd, maar dat is niet zo. Els Pins is Catalaans voor wat in de rest van Spanje Los Pinos heet: de dennenbomen. We strijken neer op het terras en bestellen één van de specialiteiten van het huis: paella. Laten we het erop houden dat er heel veel manieren zijn om paella te maken – de ene wat beter geslaagd dan de andere. De bediening is in ieder geval prima.
Met een goed gevulde maag stappen we nog één keer op de fiets richting ons eindpunt. Aan het einde van de middag komen we weer aan bij de auto in Sagunto. De conclusie van deze fietstocht: de omgeving rond Valencia is toch heel anders dan het zuidelijk deel van Spanje. Veel mooie natuur en nog genoeg plaatsen die niet volledig zijn opgeslokt door het toerisme.
Dat was een mooie tocht!
In totaal hebben we ongeveer 68 kilometer gefietst, prima te doen. De hoogtemeters lagen rond de 690 meter, maar zonder gekke stijgingspercentages. De omgeving is dus ook uitstekend geschikt voor fietsers die niet van zwaar klimwerk houden. Ben je in de buurt, pak dan zeker eens de fiets voor zo’n rondje. Veel fietsplezier en rij voorzichtig.










