Monumentale steden Úbeda & Baeza

Andalusië heeft een rijk verleden. Overal zie je daar nog de tastbare overblijfselen van. In de provincie Jaén liggen de steden Úbeda en Baeza. Beiden speelden een grote rol in de geschiedenis van Spanje. ESpecial Life trok er een paar dagen op uit en genoot van prachtige panden en mooie verhalen. In de omgeving staan miljoenen olijfbomen, dus deden we ook nog even aan ‘oleoturismo’.

Tekst & foto’s: Maria Kupers

Overal in Andalusië zie je olijfbomen, maar zodra je provincie Jaén binnenrijdt zie je vrijwel niets anders meer. De snelweg door het binnenland heet dan ook de ‘Ruta del Olivar’. De olijfboomgaarden worden afgewisseld door middelhoge bergen waarop vrijwel altijd een kasteel staat. De provincie was het grensgebied voor de katholieke koningen die van daaruit hun troepen aanstuurden om het rijk van de Nazarí aan te vallen. Koningin Isabel verbleef in 1489 in het Santa Clara klooster in Úbeda voordat ze met haar soldaten via de Puerta de Granada de provincie Granada introk.

 

 

 

 

 

 

 

 

Úbeda: stad van adel
Er zijn bewijzen gevonden dat er 6.000 jaar voor Christus al mensen in Úbeda woonden. Alle volkeren hebben er een nederzetting gehad maar de gouden tijd was ten tijde van de Moren. De uitvindingen op het gebied van de landbouw en ambachten droegen bij aan de rijkdom van de stad. Toen de plaatselijke emir zag hoeveel bloed er in 1227 gevloeid was bij de verovering van het nabijgelegen Baeza besloot hij dit de inwoners niet aan te doen. Hij gaf de stad in 1233 zonder gevecht over aan de katholieke koningen en vertrok naar Granada.

In de volgende eeuwen vestigde zich steeds meer adel in de stad, zij bouwden de meest prachtige paleizen voor zichzelf. Vrijwel al die paleizen zijn bewaard gebleven en gerestaureerd. De binnenstad ademt geschiedenis en met een beetje fantasie zie je jezelf in zo’n paleis wonen. Om wat meer over het verleden te weten te komen besluit ik een professionele gids van Fenice te vragen om me een rondleiding te geven. Behalve dat hij zelfs de kleinste details van alle panden weet, ontdek ik ook mooie verhalen over de stad. Carlos neemt me mee naar het gemeentelijk archief. Op zich is een archief niet de meest spannende bestemming, maar terloops meldt hij dat er ook ‘cartas del perdón’ opgeslagen liggen. In vroeger tijden, als een man vreemdging en dat bekend dreigde te raken, stuurde hij een brief naar de regent. In die brief biechtte hij dan zijn zonde op en vroeg om vergeving. Vrouwen die in die tijd buitenechtelijke affaires hadden moesten deze schande maar gewoon de rest van hun leven met zich meedragen. Vanaf de derde verdieping van het gemeentehuis heb je een mooi uitzicht over het plein waar diverse monumenten liggen en het achterliggende platteland.

Aan dat plein ligt ook de Sacra Capilla del Salvador. De in Úbeda geboren Francisco de los Cobos heeft dit mausoleum voor zichzelf en zijn vrouw gebouwd. Francisco is van lage adel en begon als administratief medewerker aan het hof. Hij maakt snel carrière en wist het vertrouwen van de koningen te winnen. Toen Carlos V uit Duitsland de troon besteeg werd Francisco in 1528 zijn persoonlijke secretaris. Naast zijn salaris als secretaris had hij inkomsten uit diverse landgoederen die hij in eigendom had gekregen. Hij was een rijk man. Maar dat was niet genoeg, hij wilde een belangrijkere titel en trouwde op veertigjarige leeftijd met de veertienjarige Maria de Mendoza y Sarmiento, dochter van een van de meest invloedrijke families op dat moment. Hij was een zeer religieus man en dat is te zien in de Sacra Capilla del Salvador. Het monument staat vol staat vol beelden van heiligen en bladgoud glimt je aan alle kanten tegemoet. Francisco ligt begraven onder de koepel, met zijn voeten precies onder het middelpunt, zodat zijn lichaam een directe verbinding met de hemel heeft. Vanwege de oorlogen van de keizer waren zijn inkomsten dramatisch gedaald, hij stierf voordat het mausoleum helemaal af was. Aan de buitenkant is de zien dat er nog lege plekken zijn waar beelden hadden moeten komen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Baeza: stad van de kerk
Eeuwen voor Christus was Baeza al een plek waar religie de overhand had. Tijdens de periode dat de Moren aan de macht waren leefden ook hier moslims, joden en christenen vreedzaam naast elkaar. Baeza was de eerste stad in Andalusië die door de katholieke koningen veroverd werd. Die vestigden daar hun administratieve centrum en de katholieke kerk maakt van de gelegenheid gebruik om er een groot bisdom te vestigen. Dat is de reden dat alle kloosterordes er hun kloosters en kerken bouwden. De meest bekende daarvan is de kathedraal met in de directe omgeving het Palacio de Jabalquinto en het Semenario. In de achttiende eeuw komt er echter een einde aan de bouw van nieuwe kloosters. De Spaanse overheid begon in 1789 namelijk met het onteigenen van stukken grond en panden. Het idee daarachter is heel simpel: het waren vooral kerken en kloosterorders die veel grond in hun bezit hebben en daar ook alle vruchten van plukken. De staat wil zelf meer belastinginkomsten en de maatschappij veranderen. Tot dan ontbreekt namelijk een middenklasse in de Spaanse samenleving. Maar de herverdeling van de grond wordt door de gemeenten uitgevoerd en die zijn zo slim om alleen maar grote stukken land te koop aan te bieden, onbetaalbaar voor mensen die niet al heel rijk zijn. Corruptie is van alle tijden…. In 1836 blaast minister van belastingzaken Juan Alvarez Mendizábal het onteigeningsproces nieuw leven in en dat heeft vooral in Baeza grote gevolgen gehad. Vele kloosters en kerken moesten gesloten worden.

Internationale universiteit
De Universidad de Baeza werd in 1538 opgericht, het was een van de vier universiteiten die Andalusië toen telde. Tot 1824 konden studenten daar verschillende studierichtingen volgen. Daarna werd het een school voor het voortgezet onderwijs waar de beroemde dichter Antonio Machado tussen 1912 en 1919 Franse les gaf aan leerlingen die de voorbereidende opleiding voor de universiteit volgden. Sinds 1994 is het monumentale pand onderdeel van de Universidad Internacional de Andalucía. Aan de buitenkant is nog goed te zien op welke manier de gegoede burgerij vroeger hun blijdschap over het behalen van het diploma vierde: met een mix van stierenbloed en koper schreven ze hun naam en het jaartal van slagen op de gevel.

Monumenten, shoppen en eten
Baeza en Úbeda werden in 1996 door de Spaanse overheid officieel als ‘Conjunto Historico-Artistico’ erkend. In 1975 verklaarde de Europese Commissie de steden als voorbeeldsteden voor de renaissance en in 2003 kwamen beide steden op werelderfgoedlijst van Unesco te staan. Deze feiten hebben voor een ommekeer in de recente geschiedenis gezorgd. Er kwam een einde aan de leegloop en men begon zich op het toerisme te richten. De binnensteden zijn keurig onderhouden, er is gezorgd voor goede bewegwijzering en voldoende parkeergelegenheid en er zijn veel accommodaties om voor een schappelijk bedrag te overnachten. Er is een uitgebreide keuze aan restaurants en bars, van typisch Spaans tot uitermate hip. Men heeft in de hele provincie nog de goede gewoonte om bij een drankje gratis tapas te serveren, je kunt op die manier tamelijk goedkoop lunchen of dineren. Het zijn leuke steden om heerlijk door de straten te slenteren en te winkelen, je komt er geen franchise tegen, allemaal originele winkels die over het algemeen zeer stijlvol ingericht zijn.

Je kunt met een plattegrond in de hand langs alle monumenten lopen, de meeste zijn gratis te bezichtigen. Maar als je echt meer wilt weten van de geschiedenis en liefhebber bent van details is het zeker aan te raden om een gids in te schakelen, voor 10 euro (inclusief entree) zie je alle hoogtepunten.

 

Lekker olijfolie!
De provincie Jaén telt 97 dorpen en steden en 66 miljoen olijfbomen. Vrijwel iedereen van de bijna 650.000 inwoners heeft wel ergens een lapje grond met een paar bomen. Olijven maken al eeuwen deel uit van de geschiedenis en ook hier speelt het toerisme tegenwoordig een rol, er is zelfs een speciale naam voor in het Spaans: oleoturismo. Ik maak een afspraak met José Antonio Jiménez Molina van Oleícola San Francisco in Begíjar om hier het fijne van te weten en natuurlijk om de olijfolie die zij produceren te proeven. We komen vrijwel meteen op het pijnpunt van de olijfboeren in Spanje terecht: de Italianen. “Al in de tijd van de Romeinen werd de olijfolie die hier gemaakt werd geëxporteerd en onder een andere naam verkocht. Dat is tot eind vorige eeuw zo gebleven. Zo is het beeld ontstaan dat zij de experts zijn en daarom staan in alle schappen flessen olijfolie uit Italië. Geproduceerd in Spanje” vertelt José lichtelijk gefrustreerd. De Spanjaarden hebben het heft echter weer in eigen handen genomen en beginnen hun plaats op de markt te veroveren.

Een belangrijke manier om de Spaanse olijfolie onder de aandacht te brengen is het verstrekken van informatie. José en zijn broer hebben de fabriek geschikt gemaakt voor bezoek van toeristen. Elke dag worden er rondleidingen gegeven, er is een speciale bezoekersruimte en een leslokaal waar mensen leren diverse soorten tapas met olijfolie te maken. “We hebben contracten met touroperators, behalve dat we uitleg geven over het productieproces en mensen de diverse soorten olie laten proeven nemen we ze ook mee de boomgaarden in. Op deze manier hebben niet alleen extra inkomsten maar promoten we ook onze olijfolie.”

Volgens José is er nog veel onbekend over de diverse soorten olie en het gebruik daarvan. “De beste olie is de ‘virgen extra’ en die kun je overal voor gebruiken, ook om in te bakken. Wat veel mensen niet weten is dat veel van de olijfolie die in supermarkten, in Spanje en in het buitenland, wordt verkocht geraffineerde olie is. Dat is een restproduct van de persing dat via een chemisch proces ontdaan is van elke geur en smaak en dus ook totaal niet meer over goede eigenschappen voor de gezondheid beschikt.” Na de rondleiding door de fabriek gaan we zitten om drie soorten olie te proeven. Ik moet eerlijk toegeven dat ik nooit een groot fan geweest ben van de sterke smaak van olijfolie. We ruiken en proeven en het blijkt dat ik de olie van de groene en die van de zwarte (rijpe) olijven van de soort Picual eigenlijk best lekker vind. “Het is met olijfolie net als met wijn, je moet meerdere soorten proberen om uiteindelijk je favoriet te vinden” aldus José.

 

Aanbieding voor lezers
Hotel Alvaro de Torres ligt midden in het historische centrum van Úbeda. Lezers krijgen een korting van 10% (of gratis ontbijt). Aanbieding geldig tot 15 maart. Vermeld bij reserveren dat u via ESpecial Life komt.
hotelat.es

Rondleidingen door Úbeda en Baeza: fenice.es

Fabrica de Aceites Oleícula San Francisco: oleoturismojaen.es

 

Afstanden
Málaga: 250km
Jaén: 57km
Cazorla: 45km
Úbeda en Baeza liggen op 12 kilometer afstand van elkaar, er zijn fietspaden.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


U bent toch geen spambot? * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.