Marbella, stad vol geschiedenis

De naam Marbella roept over het algemeen gemengde reacties op. De stad staat internationaal bekend als toeristenbestemming, maar kwam in het verleden vooral in het nieuws vanwege de sappige verhalen over beroemdheden, corruptie en maffia. Als je even alle vooroordelen, positief en negatief, aan de kant schuift, blijkt het een stad te zijn waar veel gewone mensen leven. Een stad met een eeuwenoude geschiedenis, interessante tradities en onverwachte stukken natuur.

Tekst: Maria Kupers. Foto’s: Stock, gemeente Marbella, Fotografía Almudena Martínez, Maria Kupers

Marbella telt 29 kilometer strand en heeft een prima klimaat. Op zonnige dagen liggen die stranden dan ook behoorlijk vol en wie het zich kan permitteren woont in een luxe huis met uitzicht op zee. De kust is altijd al een geliefde plek geweest. Op diverse plekken in en rondom de stad is te zien dat er al eeuwen geleden mensen woonden. Langs de kust staan diverse uitkijktorens die het binnenland en de stad zelf moesten beschermen tegen indringers. Volgens archeologen waren de Feniciërs de eerste bewoners aan de Costa del Sol en hebben ze ook op de plek waar Marbella nu ligt gewoond. Maar de geschiedenis van de stad begint pas echt in de tijd van de Romeinen. Die noemden de stad Salduba, stad van het zout. Daarvan zijn nog de Baños Romanos en de Villa Romano del Rio Verde overgebleven. De Arabieren namen de stad in de zesde eeuw na Christus over en veranderden de naam in Marbil-la. Ze bouwden een fort op de plek waar nu de binnenstad is, om zich te beschermen tegen de aanvallen van de christenen. De Arabieren regeerden negen eeuwen over de stad en werden uiteindelijk, net als in de rest van Andalusië, in 1485 verdreven.

De vazallen van koning Ferdinand namen de stad in bezit en braken veel onderdelen van de nederzetting en het fort af om plaats te maken voor een plein, de huidige Plaza de los Naranjos. Ook de nieuwe bewoners moesten beschermd worden tegen invallen vanaf de zee. Men besloot een nieuw fort te bouwen, de Fuerte de San Luis. Die bood echter niet voldoende bescherming want tijdens de oorlog met de Fransen (1808 – 1842) bleef alleen de toren overeind staan.

Verleden van ijzer
Toen er eindelijk sprake was van rust begon de bevolking langzaam te groeien. Van oudsher is Marbella altijd een vissersdorp geweest en op het land grenzend aan de kust werden groente en fruit verbouwd. In de negentiende eeuw kwam in heel Europa de industrialisatie op gang en begon er een nieuw tijdperk voor de hele Costa del Sol. Het achterland is namelijk rijk aan allerlei mineralen. Een groep ondernemers besloot de mijnindustrie serieus aan te pakken en in 1826 werden er rondom Marbella vier hoogovens gebouwd, op de Finca la Concepción en op de plek waar nu de wijk El Angel ligt. Het water van de Lago de las Tortugas werd gebruikt voor de koelprocessen. Er werd een spoorlijn aangelegd naar het centrum van de stad, waar nu La Alameda is, zodat de schepen in de haven geladen konden worden.  De hoogovens werden in 1884 gesloten, maar het delven van ijzererts in de Sierra Blanca ging door tot 1970. In 1957 werd voor de kust een enorme toren voor een kabelbaan gebouwd, El Cable. Het ijzererts werd op die manier direct in de vrachtschepen geladen.

 

Beton en glamour
Terwijl de laatste jaren van de mijnindustrie ingingen begon er heel langzaam een nieuwe industrie: het toerisme. Tot het begin van de twintigste eeuw telde Marbella 10.000 inwoners, met name eenvoudige, hardwerkende mensen. Ze verlieten hun dorp over het algemeen nooit. Een reis per koets naar Málaga duurde destijds twee dagen. Maar in de rest van Europa ging men al wel op reis. In 1940 maakte prins Alfonso van Hohenlohe een reis langs de zuidkust van Spanje toen zijn Rolls Royce vlakbij Marbella motorpech kreeg. Dat feit heeft de geschiedenis van de stad voorgoed veranderd. Terwijl hij onder een paar dennenbomen op de Finca Santa Margarita op hulp wachtte, werd hij verliefd op de plek. Hij besloot de Finca te kopen en er zijn vakantiewoning van te maken. Aangezien Alfonso tot de Europese adel behoorde, kwam die graag eens kijken op de plek waar hij zo lyrisch over kon vertellen. En waar adel is zijn ook graag andere beroemdheden. Algauw was er niet voldoende ruimte om iedereen onderdak te bieden en in 1954 opende hij het eerste hotel in de stad: Marbella Club Hotel, aan de Golden Mile. Het hotel bestaat nog steeds en een overnachting kost er gemiddeld duizend euro.  Hij kocht vele stukken land op en begon nieuwe hotels en woningen te bouwen, waar vervolgens nog meer bekende filmsterren, adel en politici op af kwamen om vakantie te vieren.

Marbella telde begin jaren zeventig 30.000 inwoners en er hing nog steeds een dorpse sfeer. In de zomer kwamen de ‘rich and famous’ van de zon, het strand, golf en hun exclusieve clubs genieten, maar verder ging het normale leven gewoon door. Marbella is nooit een bestemming voor de massa geworden maar in de loop der jaren kwamen er wel steeds meer mensen op vakantie. Vanaf de jaren tachtig begon het voor veel Noord-Europeanen een serieuze optie te worden een tweede huis in Marbella te kopen of zich er permanent te vestigen. Hele stukken landbouwgrond werden volgebouwd met woonwijken, bij voorkeur allemaal met hun eigen golfbaan of minimaal een zwembad. Omdat dictator Franco in 1973 tijdens een reis langs de Costa del Sol had verboden dat er in Marbella net zulke hoge flatgebouwen gebouwd zouden worden als in Torremolinos en Benalmadena is de skyline van de stad altijd redelijk intact gebleven.

 ‘The very rich’
In de jaren zeventig liet de voormalige koning van Saudie Arabië, Fahd bin Abdul Aziz al-Saud, een paleis bouwen aan de Golden Mile. Toen merkte de bevolking van Marbella pas echt wat luxe was. Het paleis had het hele jaar door honderden mensen in dienst zodat alles altijd piekfijn in orde was. Als de koninklijke familie op vakantie kwam werd het aantal personeelsleden nog eens fors uitgebreid en daar profiteerden de Marbellí ook van. De salarissen waren goed maar de fooien nog beter. Er gaan verhalen over chauffeurs die vijfduizend euro fooi ontvingen. Als iemand van het gevolg midden in de nacht behoefte had om juwelen te kopen werd de eigenaar van de winkel gebeld en die kwam met alle genoegen zijn bed uit om de deuren te openen. Tijdens een bezoekje van de koning aan Puerto Banús gaf hij daar zonder blikken of blozen 350.000 euro uit. Toen Fahd bin Abdul Aziz al-Saud in 2005 overleed kondigde de gemeente drie dagen van officiële rouw af.

San Pedro de Alcántara
De gemeente Marbella is 114 vierkante kilometer groot en is verdeeld in verschillende wijken. Één wijk is eigenlijk een dorp op zich: San Pedro de Alcántara. De ruïne Las Bovedas uit de derde eeuw en de Basílica Vega del Mar uit de vierde eeuw tonen duidelijk aan dat hier altijd al een nederzetting is geweest. Maar het dorp werd pas echt bevolkt vanaf 1860. Generaal Manuel Gutiérrez de la Concha e Irigoyen, de eerste Marqués del Duero, maakte toen gebruik van de wet ‘Repoblación de Tierras’. In 1855 besloot de Spaanse overheid dat het tijd werd om paal en perk te stellen aan het in beslag nemen van stukken grond, veelal door de katholieke kerk, en begon met een groot verkavelingsproject. Manuel Gutiérrez besloot toen de Colonia Agricola de San Pedro Alcántara te stichten. De naam San Pedro komt van een heilige uit Extremadura die door de familie aanbeden werd. Hij gebruikt de achternaam van zijn moeder, Petra de Alcántara Irigoyen y de la Quintana, om haar te eren.

Een gebied van 10.000 hectare werd vrijgemaakt voor landbouw volgens de nieuwste technieken. Op verschillende plekken werden dammen en watervoorraden aangelegd en uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië werd de modernste apparatuur geïmporteerd. Om van het project een succes te maken werden ervaren boeren en dagloners uit Granada, Almería, Valencia en Murcia overgehaald om naar San Pedro te komen. Ze kregen voor die tijd uitermate goede arbeidsvoorwaarden: een huis, een stuk grond in een gemeenschappelijke moestuin en ze konden hun levensmiddelen tegen een voordelige prijs aanschaffen in de winkel van de coöperatie. Er werden wegen aangelegd en er heeft zelfs een tijdje een landbouwschool gefunctioneerd. De oogst, voornamelijk suikerriet, werd via schepen naar Málaga vervoerd. De Marqués de Duero had echter hoge leningen afgesloten om dit alles te financieren. Hij kon de rente niet meer betalen en was gedwongen de Colonia in 1874 te verkopen. De suikerfabriek die hij in 1870 had gebouwd, werd daarna gebruikt voor het verwerken van suikerbieten en er brak een gouden tijd aan voor San Pedro. Rond 1910 kwam er een einde aan de suikerindustrie en vanaf de jaren twintig was er in het dagelijks leven geen sprake meer van een Colonia. Toch raakte San Pedro niet in verval. Men ging door met landbouw en wat visserij en de bevolking groeide. In 1950 waren er 1.028 inwoners, in 1993 waren het er al meer dan 28.000.

 

Aparte status
In 1991 besloot een groep bewoners een verzoek in te dienen voor afscheiding van Marbella. Ze wilden graag een nieuwe gemeente vormen met de wijken Nueva Andalucía en Guadalmina onder de naam San Pedro de Alcántara. De gemeente Marbella wees dit verzoek af en men besloot naar de rechter te stappen. Die wees de eis op diverse juridische gronden af. Er werden nieuwe eisen geformuleerd en ook die werden door de rechtbanken van tafel geveegd. De laatste uitspraak werd dit voorjaar gedaan en het valt niet uit te sluiten dat de bewonersgroep ooit weer een nieuwe poging zal doen. De relatief nieuwe politieke partij Opción Sampedreño steunt deze bewoners terwijl ze ondertussen vanuit de gemeenteraad proberen om meer zelfstandigheid voor San Pedro de Alcántara te krijgen.

 

Miraflores
Marbella kent vele wijken, elk met eigen kenmerken en een eigen geschiedenis. Eén van de meest onbekende wijken onder de buitenlanders is misschien wel Miraflores, genoemd naar de Cortijo de Miraflores. Vroeger was dat een werkplaats die bij het nabijgelegen Franciscaner klooster hoorde. In 1704 bouwde Tomás Dominguez er een pers om suikerriet te vermalen en een door ezels aangedreven olijfoliemolen. Daarna werden er rondom het pand tuinen met exotische planten aangelegd die vandaag de dag nog steeds uitstekend verzorgd worden. Het gebouw werd vorige eeuw gerestaureerd en in 2001 in gebruik genomen als cultureel centrum met een olijfoliemuseum en verschillende expositiezalen.

Daniël Fernández Nieto (40) groeide op in deze wijk die tussen de Cortijo Miraflores en het oude stadscentrum ligt. “We speelden altijd met alle buurtkinderen op straat en als we thuis moesten komen riep mijn moeder ons vanaf het balkon. Iedereen kende elkaar en dat is nog steeds zo. Een klein dorp maar dan wel met alle gemakken van de grote stad op loopafstand”, vertelt Daniël. Het water loopt hem nog in de mond als hij denkt aan de geur van de Panadería Antonia, een kleine bakkerswinkel om de hoek. Zijn moeder stuurde hem daarheen om brood of een zak melk te halen (die melk werd dan thuis overgegoten in een kan). Die bakker bestaat niet meer maar het is opvallend hoeveel kleine winkels er nog wel in de wijk aanwezig zijn. Vooral ’s ochtends is het druk in de straatjes rondom de Avenida del Trapiche (straat van de suikermolen), de dagelijkse boodschappen worden gedaan en mensen nemen de tijd om een praatje met elkaar te maken of even op een van de kleine terrasjes te ontbijten. “Toen het winkelcentrum La Cañada werd geopend was dat wel een klap voor de lokale winkeliers, velen hebben hun deuren moeten sluiten. Maar er zijn met de jaren toch ook weer nieuwe winkels bijgekomen. Even snel de deur uitlopen voor een boodschap blijkt toch handiger te zijn dan met de auto naar de supermarkt te moeten.”

Daniël leerde zwemmen in het zwembad van de jeugdherberg die aan de rand van de wijk ligt. “Met een diploma op zak mochten we dan ook in de zee zwemmen. Vanaf huis was het maar een kwartiertje lopen naar het strand en daar brachten we dan met een clubje vrienden hele dagen door.” De jaren tachtig waren fantastisch voor de jongeren in Marbella. De Puerto Deportivo was dé plek om uit te gaan en de bars en discotheken waren er tot in de vroege uurtjes open. “We gingen eerst naar de kroeg in de binnenstad en daarna naar de haven. Totdat Jesús Gil burgemeester werd, die wilde de stad aantrekkelijk maken voor de wat oudere, welgestelde toerist. Daar paste de sfeer in de haven niet bij, de openingstijden werden fors vervroegd en daar werd streng op gecontroleerd. Daarna was er voor mensen van begin twintig die nog vol energie zitten niet veel meer te doen in de stad.”

Daniël heeft de afgelopen jaren in Barcelona en Madrid gewoond en is nog nooit een wijk tegengekomen waar eigenlijk niet echt iets veranderd is. “De mensen die hier wonen zijn hardwerkende mensen uit de middenklasse. Ze kennen elkaar nog steeds allemaal of anders weten ze in ieder geval uit welke familie iemand komt. Natuurlijk zijn er in de loop van de jaren ook nieuwe bewoners gekomen, maar de sfeer van elkaar groeten en een praatje maken is blijven bestaan.”

 

 

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


U bent toch geen spambot? * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.