Verhoging pensioenleeftijd in internationaal perspectief

Verhoging pensioenleeftijd in internationaal perspectief

Hogere pensioenleeftijden en langere arbeidscarrières zijn niet alleen in Nederland en België een belangrijk maatschappelijk thema. Ook veel andere landen worstelen met de vraag hoe zij de gevolgen van de vergrijzing op de arbeidsmarkt nu en in de toekomst kunnen opvangen. Hoe ver gaan het Nederlandse en Belgische beleid in vergelijking met dat van andere landen?

Ivan Cools
Ivan Cools

Ivan Cools is als partner verbonden aan het Nederlands-Belgisch Centrum en daarnaast onder meer lid van de Raadgevende Commissie Grensoverschrijdend Werken & Ondernemen en diverse adviescommissies van de Tweede Kamer en het Parlement.

( +32 (0)3-295 55 95

info@nederlands-belgisch-centrum.be
www.nederlands-belgisch-centrum.be

In december 2017 bracht de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), een samenwerkingsverband van 35 hoogontwikkelde landen, haar tweejaarlijkse rapport Pensions at a Glance uit, met daarin de meest recente informatie over hoe verschillende landen omgaan met de vergrijzing en de effecten hiervan op de arbeidsmarkt en pensioenen. Dat vergrijzing een wereldwijd fenomeen is blijkt uit de cijfers. De grijze druk, oftewel het aantal mensen boven de leeftijd van 65 jaar per 100 mensen in de werkzame leeftijd (20 – 64 jaar), is tussen 1950 en 2015 voor OESO-landen gemiddeld gestegen van 14 naar 28, en men verwacht een verdere stijging tot 53 in 2050. Met andere woorden, dit betekent dat er in 2050 gemiddeld twee werkenden op elke gepensioneerde zijn, waar dit er nu nog vier zijn.

Betaalbaar

Om het pensioenstelsel betaalbaar te houden met zulke drastische veranderingen in de bevolkingssamenstelling, kiezen landen voor verschillende soorten oplossingen. Ruim de helft van de landen heeft een verhoging van de officiële pensioenleeftijd aangekondigd. In Noorwegen, Israël en IJsland is de pensioenleeftijd momenteel het hoogst met 67 jaar. Denemarken, Finland, Italië, Portugal en Slowakije hebben, net als Nederland, de verhoging van de pensioenleeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Toch zijn er ook landen die weigeren de pensioenleeftijd te verhogen, of zelfs een voorgenomen verhoging hebben teruggedraaid (Canada, Tsjechië en Polen). Dit zorgt ervoor dat de huidige en toekomstige pensioenleeftijden nogal uit elkaar lopen.

Nederland loopt, samen met Italië en Denemarken, voorop als het gaat om het verhogen van de pensioenleeftijd. Toch is het niet altijd makkelijk om pensioenleeftijden van landen met elkaar te vergelijken.

Nederland kent bijvoorbeeld een staatspensioen (AOW) en verplicht pensioensparen voor werknemers. Dit zorgt ervoor dat de pensioenen relatief hoog zijn in vergelijking met andere OESO-landen en dat er maar weinig armoede voorkomt onder ouderen: 3,7 procent in Nederland tegen het OESO-gemiddelde van 12,5 procent. In veel andere landen is men niet verplicht tot pensioensparen of spaart men een stuk minder. Ook kennen veel landen een kariger staatspensioen. Hierdoor kan het voorkomen dat de officiële pensioenleeftijd elders lager is dan in Nederland, maar men er in de praktijk toch langer doorwerkt, doordat de pensioenen niet toereikend zijn. Zo was de gemiddelde uittredeleeftijd in Nederland in 2016 63,5 jaar (OESO-gemiddelde 65,1 jaar), waarmee er 20 OESO-landen zijn waar men gemiddeld genomen langer doorwerkt dan in Nederland. De OESO concludeert dat Nederland de uitdagingen van de vergrijzing op lange termijn relatief goed opvangt. De arbeidsparticipatie onder ouderen is de laatste decennia zeer sterk gestegen, en de verhoging van de pensioenleeftijd zorgt voor financiële houdbaarheid op de lange termijn. Hier valt tegenin te brengen dat de verhoging van de pensioenleeftijd op lange termijn nogal extreem uitpakt, met een voorspelde pensioenleeftijd van ruim 71 jaar in 2060. Daarnaast is er het probleem van de hoge langdurige werkloosheid onder ouderen. Nederland moet oppassen dat deze ontwikkelingen niet leiden tot een te grote ongelijkheid tussen lager en hoger opgeleiden.

61 jaar. Dat is de gemiddelde leeftijd waarop Belgen met pensioen gaan. De officiële pensioenleeftijd mag in België dan nog steeds 65 jaar zijn, toch geven Belgen er gemiddeld vier jaar eerder de brui aan. En daarmee bengelt België, samen met Luxemburg (61 jaar) onderaan bij de OESO-landen, de 35 rijkste industrielanden, waar de gemiddelde pensioenleeftijd 63,5 jaar bedraagt. Frankrijk doet met 60 jaar nog slechter.

Geef als eerste een reactie

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd.


*


U bent toch geen spambot? * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.